De werkgemeenschap bestaat al (deel 2 van 4)
Gepubliceerd door Jaap Peters op 3 september 2026
In het eerste deel van deze reeks introduceerden we het begrip 'werkgemeenschap' als de plek waar het echte werk plaatsvindt. Niet het organogram, maar de mensen die rond een concrete praktijk samen iets tot stand brengen. Die werkgemeenschap hoeft meestal niet te worden opgericht. Zij bestaat al. De eerste opgave is haar te leren zien.
Dat riep veel herkenning op, maar ook nieuwe vragen. Is een organisatie waar mensen prettig samenwerken zelf een werkgemeenschap? Is het een netwerk? Een onderdeel van de structuur? Kun je haar ontwerpen of ontwikkelen? En wie horen er eigenlijk bij?
Definities helpen, maar voorbeelden waarschijnlijk nog meer. Daarom kijken we in dit tweede deel naar vier heel verschillende praktijken: de zorg rond een cliënt, het politiewerk op straat, de bouwplaats en een voetbalvereniging die samen met haar leden en het dorp de accommodatie vernieuwt.
----
1. De zorg rond een cliënt: beginnen bij wie er al zijn
Wie vanuit een zorgorganisatie kijkt, ziet medewerkers, functies, teams, protocollen en een zorgaanbod. Wie echter primair vanuit de cliënt kijkt, ziet een andere werkelijkheid. Daar zijn mogelijk een partner, kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers, een huisarts, een wijkverpleegkundige, een fysiotherapeut en iemand uit het sociale domein actief.
Samen vormen zij niet vanzelfsprekend één organisatie. Toch kan daar wel degelijk een werkgemeenschap ontstaan: mensen die vanuit verschillende rollen bijdragen aan een zo zelfstandig en waardig mogelijk leven van deze concrete persoon.
Buurtzorg maakt dat zichtbaar in het bekende uienmodel. Rond de cliënt bevinden zich achtereenvolgens wat iemand zelf nog kan, het informele netwerk, het Buurtzorgteam en andere formele zorgverleners. De wijkverpleegkundige begint dus niet uitsluitend bij de vraag welke professionele zorg zij kan leveren. Zij kijkt eerst wie en wat er al aanwezig zijn en wat daarvan kan worden versterkt.
Dat is meer dan netwerkgericht werken. Een netwerk vertelt wie met wie verbonden is. Een werkgemeenschap laat zien wie in de praktijk samen het werk verrichten en zich medeverantwoordelijk voelen voor het geheel. De cliënt en diens naasten zijn daarin niet uitsluitend ontvangers van zorg, maar – voor zover mogelijk – deelnemers.
De organisatie van Buurtzorg staat niet centraal. Zij levert de wijkverpleegkundige, digitale hulpmiddelen, administratieve ondersteuning, kennis en rugdekking. Het eigenlijke werk wordt rond de cliënt georganiseerd.
Niet de cliënt passend maken voor het zorgaanbod, maar het aanbod laten aansluiten op de werkgemeenschap rond de cliënt.
De omkering is wezenlijk: Niet de cliënt passend maken voor het zorgaanbod, maar het aanbod laten aansluiten op de werkgemeenschap rond de cliënt!!! Toen mijn moeder op 95-jarige leeftijd ziek werd, kwamen er op een gegeven moment tien tot vijftien mensen over de vloer: huisarts & praktijkondersteuner, apotheker, fysiotherapie, huishoudelijke hulp, tuinvrouw, kinderen, kleinkinderen & overige familie, buren en vriendinnen, vrijwilligers (boodschappen, chauffeur), kapster en pedicure en leden van de kerk, o.a. de dominee. Mijn rol was vooral de voordeur open te doen.
---
2. Politiewerk op straat: de werkelijkheid houdt zich niet aan het organogram
Op papier bestaat politiewerk uit eenheden, teams, functies, bevoegdheden en gezagslijnen. Een organigram kan precies laten zien hoe de politie is ingericht. Het laat alleen niet zien hoe veiligheid op straat werkelijk tot stand komt.
Daar werkt een agent samen met BOA’s, jongerenwerkers, winkeliers, buurtbewoners, scholen, verenigingen en soms met een groep Marokkaanse huisvaders die de jongeren en de buurt goed kennen. Zij staan niet in hetzelfde organigram, hebben geen gezamenlijke leidinggevende en zijn niet bij elkaar in dienst. Toch kunnen zij rond een concrete situatie tijdelijk elkaars collega’s worden.
Dat gebeurt niet doordat ze allemaal dezelfde rol krijgen. De politieagent houdt eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De jongerenwerker beschikt over andere kennis; de winkelier ziet weer iets anders en de vaders hebben toegang tot relaties die voor officiële instanties vaak gesloten blijven. Binnen de werkgemeenschap zijn de deelnemers dus niet gelijk, maar wel gelijkwaardig. Niet de formele positie, maar de relevante bijdrage aan de situatie is leidend (zie het filmpje in rechter balk).
De grenzen van de werkgemeenschap worden niet bepaald door het organogram, maar door wat de concrete situatie vraagt.
Een overlegtafel met alle ‘stakeholders’ is daarom nog geen werkgemeenschap. Het verschil wordt zichtbaar wanneer er iets onverwachts gebeurt. Wachten de betrokkenen dan op instructies vanuit hun eigen organisatie, of weten zij elkaar rechtstreeks te vinden en handelen zij samen vanuit de bedoeling: een veilige en leefbare buurt?
De systeemwereld verdeelt de werkelijkheid in organisaties, taken en bevoegdheden. De straat c.q. het dorpsplein brengt haar weer bij elkaar. De grenzen van de werkgemeenschap worden niet bepaald door het organogram, maar door wat de concrete situatie vraagt.
---
3. De bouwplaats: tijdelijk elkaars collega’s
Een bouwplaats lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend een werkgemeenschap. Timmerlieden, metselaars, installateurs, uitvoerders, leveranciers en opdrachtgevers werken immers allemaal aan hetzelfde bouwwerk. Toch is samen op één plaats werken niet voldoende.
Een bouwplaats kan ook een keten van contractpartijen zijn. Iedereen levert zijn eigen onderdeel, bewaakt zijn planning, beperkt zijn risico en legt problemen bij een ander neer. Dan is er wel onderlinge afhankelijkheid, maar nog weinig gemeenschap. Van een werkgemeenschap is sprake wanneer mensen uit verschillende bedrijven zich in de praktijk als collega’s verbinden rond de kwaliteit van het hele bouwwerk. Zij stemmen werkzaamheden rechtstreeks af, lossen verrassingen samen op en benutten elkaars vakkennis. Contracten en verantwoordelijkheden verdwijnen niet, maar dicteren niet ieder gesprek.
De beste toetsvraag is misschien: Als er iets onverwachts gebeurt, kijken de betrokkenen dan eerst naar hun contract of eerst met elkaar naar wat het bouwwerk nodig heeft?
Ook een leverancier kan deze tijdelijke werkgemeenschap ondersteunen. Rensa redeneert bij bouwplaatslogistiek terug vanuit de plek waar het werk wordt uitgevoerd. Materialen van verschillende gespecialiseerde groothandels kunnen worden gecombineerd en op het juiste moment, op de juiste plaats en in de juiste volgorde worden aangevoerd. De afzonderlijke organisaties hoeven daarvoor niet te worden samengevoegd. Hun specialismen blijven bestaan, maar worden dienstbaar gemaakt aan het geheel.
Organisaties verdelen het werk; het bouwwerk brengt de vakmensen weer bij elkaar.
Slimme logistiek alleen is overigens nog geen bewijs van Rijnlands organiseren. Beslissend is wie bepaalt wat nodig is. Moet de bouwplaats zich voegen naar het gestandaardiseerde proces van de leverancier, of sluit de leverancier aan bij de werkvolgorde van de vakmensen? De bouwplaats toont hoe een werkgemeenschap verkokering kan doorbreken zonder alle kokers op te heffen.
---
4. Een voetbalvereniging die samen met haar leden en het dorp de accommodatie vernieuwt
Onze voetbalvereniging in Zwammerdam wordt onderdeel van een multifunctionele accommodatie (MFA) met onder andere een basisschool, buitenschoolse opvang en een gymzaal voor allerlei verenigingen (muziek, gym, toneel) uit het dorp. De MFA wordt planmatig gerealiseerd: budgetten, tekeningen, planningen, adviseurs, aannemers en talloze specialisten. Een herkenbare systeemwereld.
De keuken van de voetbalclub wordt in dat project vernieuwd. Voor de leden is dat aanleiding om ook naar de rest van het vijftig jaar oude clubgebouw te kijken: de kleedkamers, kantine, gangen, toiletten, koelcel en het ballenhok.
Vervolgens gebeurt iets wat niet op de projectplanning stond. Een groep vakmensen uit de club, inclusief de vaste klusploeg, gaat aan de slag. Wanneer specifieke kennis of hulp nodig is, worden andere leden, oud-leden, supporters en dorpsbewoners erbij gehaald. De ene persoon kan tegelen, de ander schilderen, slopen, leidinggeven of materiaal regelen. Zelfs een enthousiaste wethouder reageert in de sfeer van: laat maar weten wanneer er ergens een budgetje nodig is.
Niemand heeft vooraf de volledige samenstelling ontworpen. Er is geen projectmanager die alle deelnemers selecteert en aanstuurt. Toch is het allerminst ongeorganiseerd. Mensen maken afspraken, verdelen werk, bewaken kwaliteit, spreken elkaar aan en sturen bij wanneer de werkelijkheid daarom vraagt. Gezag ontstaat situationeel: bij het tegelwerk gaat de tegelzetter voor; bij de elektra degene die daarvan verstand heeft.
Niet opgericht en niet centraal aangestuurd, maar wel verbonden door vakmanschap, onderlinge relaties en een collectieve ambitie.
Hier wordt ook zichtbaar dat de werkgemeenschap groter is dan het formele team of zelfs de vereniging. Oud-leden en dorpsbewoners kunnen tijdelijk deelnemer worden omdat zij zich verbonden voelen met de club en iets relevants bijdragen. De gezamenlijke praktijk bepaalt wie erbij hoort.
De MFA en de verbouwing van de clubaccommodatie bestaan naast elkaar. De eerste wordt formeel georganiseerd; de tweede organiseert zich grotendeels vanuit de gemeenschap. Juist in het contrast wordt de werkgemeenschap zichtbaar.
---
Wat zien we in alle vier de voorbeelden?
De cliënt, de straat, het bouwwerk en de voetbalclub zijn vier totaal verschillende werkelijkheden. Toch keren steeds dezelfde kenmerken terug:
...
- Er is een concrete persoon, praktijk of opgave waaromheen het werk ontstaat.
- Mensen brengen vanuit verschillende soorten kennis en betrokkenheid samen iets tot stand.
- De grenzen lopen dwars door organisaties, functies en formele rollen heen.
- De deelnemers zijn niet noodzakelijk bij elkaar in dienst.
- Formele hiërarchie is niet leidend; vakkennis, ervaring en de situatie geven richting.
- Mensen voelen zich medeverantwoordelijk voor de kwaliteit van het geheel.
- Zij handelen, leren en sturen al doende bij.
...
Daarmee is een werkgemeenschap niet hetzelfde als een team, netwerk, samenwerkingsverband of stakeholderoverleg. Een netwerk verbindt mensen. Een overleg brengt mensen bijeen. Een werkgemeenschap brengt samen iets concreets tot stand.
Ook valt zij niet eenvoudig onder het vakje ‘structuur’ naast cultuur en leiderschap. De werkgemeenschap is juist de levende praktijk waarvoor structuur, cultuur en leiderschap ondersteunend zouden moeten zijn.
De organisatie hoeft dus niet te verdwijnen. Zij blijft nodig voor continuïteit, middelen, specialistische kennis, rechtsbescherming, infrastructuur en rugdekking. Maar zij is niet de plek waar alles begint.
De werkgemeenschap organiseert het werk; de organisatie organiseert de voorwaarden.
Dat verklaart ook waarom de werkgemeenschap zo belangrijk is voor de menselijke maat. Die menselijke maat ontstaat niet doordat centraal een extra richtlijn wordt toegevoegd. Zij ontstaat doordat mensen in de concrete situatie gezamenlijk kunnen bepalen wat hier en nu goed werk is. De werkgemeenschap hoeft meestal niet te worden ontworpen. Zij moet eerst worden gezien. Daarna komt een moeilijker vraag: hoeveel ruimte durven organisaties haar werkelijk te geven?
---
Daarover gaat deel III: hoe breng je de werkgemeenschap in je eigen praktijk in beeld? Maar kijk ook even naar ons YouTube-filmpje hier in de rechter column als inspiratie.