Laloux ontmoet Rijnlands Organiseren (3)

Gepubliceerd door Jaap Peters op 31 juli 2026

Bestaat de organisatie voor zichzelf ... of voor de vakmensen?

Na de eerste twee artikelen kreeg ik een aantal mooie reacties. Eén daarvan bleef hangen. Eén van de medeoprichters van Buurtzorg schreef: 'Theoretiseren, ... dat leidt alleen maar af. Gewoon gezond boeren verstand blijven gebruiken als je organiseert'. Daar zit veel wijsheid in.

Uiteindelijk gaat het natuurlijk niet om gelijk krijgen als 'organisatiekundige'. Het gaat om organisaties waarin mensen goed kunnen werken en waarin cliënten, inwoners, leerlingen, bewoners of patiënten merken dat het verschil wordt gemaakt. En toch denk ik dat de manier waarop we naar organisaties kijken ertoe doet. Niet omdat theorie belangrijker is dan de praktijk, maar omdat een theorie ons helpt te begrijpen waarom iets werkt en waarom het soms toch ook weer misgaat. Tijdens het schrijven van deze serie begon mij iets op te vallen.

Hoe vaker ik Frédéric Laloux herlas, hoe vaker ik merkte dat hij inderdaad spreekt over 'organisaties'. Een aantal van de reacties op LinkedIn ging daar ook over #thnx. Dat is niet vreemd; zijn boek heet tenslotte: Reinventing Organizations. De centrale vraag is hoe een nieuwe generatie organisaties eruit zou kunnen zien. Gaandeweg ontdekte ik echter dat ik zelf een iets andere vraag stelde: voor wie bestaan organisaties eigenlijk?
.

Voor wie bestaat een organisatie eigenlijk?

Misschien lijkt dat een onbelangrijke nuance. Ik denk inmiddels van niet. In het Rijnlandse denken/discours staat de organisatie nooit op zichzelf. Zij heeft geen zelfstandig bestaansrecht. Rijnlandse organisaties zijn ook nooit beursgenoteerd. De meeste bedrijven zijn niet beursgenoteerd, maar doen wel net alsof. In veel opleidingen is men daar niet zo expliciet over.

Een Rijnlandse organisatie is als gereedschap; een hulpmiddel.

Een Rijnlandse organisatie is een hulpmiddel . Niet zozeer om rijk te worden en erin te beleggen, maar primair een middel om vakmensen in staat te stellen hun maatschappelijke opdracht zo goed mogelijk uit te voeren.

Dat klinkt misschien vanzelfsprekend. Toch heeft het grote gevolgen. Wanneer de organisatie zelf het vertrekpunt wordt, ontstaat al snel de neiging om haar steeds verder te perfectioneren. We ontwerpen structuren, ontwikkelen managementlagen, introduceren systemen, bouwen dashboards en verfijnen procedures. Vaak allemaal met de beste bedoelingen. En dat leer je op de business-schools. Wanneer het werk zelf echter het vertrekpunt is, verandert de vraag.

Helpt dit de professional om het werk beter te doen?

Dan vragen we niet: Hoe maken we de organisatie beter? Maar: Helpt dit de professional om zijn of haar werk beter te doen?

Dat lijkt een klein verschil. In de praktijk is het enorm. Ook daarom vind ik Buurtzorg zo'n fascinerend voorbeeld. Zowel Frédéric Laloux als het Rijnlandse denken wijzen naar dezelfde organisatie. Misschien bewonderen zij niet precies hetzelfde, maar beiden herkennen een organisatie waarin het werk van de verpleegkundige centraal staat en de organisatie daaromheen bewust eenvoudig wordt gehouden.

Misschien is dat wel de belangrijkste les. Niet dat een organisatie zo plat mogelijk moet zijn. Niet dat managers per definitie moeten verdwijnen. Niet dat zelfsturing inclusief zelf roosteren het hoogste doel is. Maar dat iedere keuze uiteindelijk moet kunnen worden beantwoord met één eenvoudige vraag: Wordt het werk hier beter van?

Dat is een vraag die niet alleen geldt voor bestuurders of leidinggevenden. Zij geldt net zo goed voor PZ/HRM, ICT, Financien, Communicatie en alle andere ondersteunende functies.

Hun legitimiteit ligt niet in hun eigen bestaan, maar in de bijdrage die zij leveren aan het vakmanschap van anderen. Juist daarom vermoed ik dat het verschil tussen Laloux en het Rijnlandse denken misschien niet zozeer zit in de organisaties die zij bewonderen. Die blijken juist opvallend vaak dezelfde te zijn. Het verschil zit eerder in het vertrekpunt.

  • Laloux vraagt: Hoe een nieuwe volgende generatie organisaties eruit kan zien (teal dus).

  • Het Rijnlandse denken stelt eerst een andere vraag: Hoe helpen we vakmensen om hun werk steeds beter te doen?

Misschien is dat geen groot verschil. Maar soms zijn het juist de kleine verschillen in het vertrekpunt die uiteindelijk de grootste gevolgen hebben. 'Gezond boerenverstand' is voor de ene boer biologisch en voor de andere boer intensief.

In het volgende (laatste?) deel wil ik nog een stap verder gaan. Want als de organisatie een hulpmiddel is, wat ís een organisatie dan eigenlijk? Is zij een zelfstandig 'ding', of ontstaat zij iedere dag opnieuw in het handelen van mensen? Dat blijkt een verrassend fundamentele vraag te zijn.